DE VITAMINEN (A,C,B)


Hoewel de betreffende stoffen slechts in zeer kleine hoeveelheden in de voeding voorkomen, bleken ze toch van groot belang te zijn voor de gezondheid. Aanvankelijk sprak men van ‘beschermende stoffen’, omdat ze beschermen tegen bepaalde ziekten. Die ziekten noemt men ‘gebreksziekten’, omdat ze het gevolg zijn van een gebrek (deficiëntie) aan een bepaalde stof. Later werden deze stoffen vitaminen genoemd, naar het Latijnse woord ‘vita’, dat leven betekent, en ‘amine’, de naam van een groep organisch-chemische stoffen.

Toch was de remedie tegen gebreksziekten in sommige gebieden al eeuwen bekend. Zo werden in de zestiende eeuw Franse kolonisten aan de kust van New Foundland door indiaanse medicijnmannen genezen van hun ‘scheurbuik’. We weten nu dat scheurbuik (van het Latijnse ‘scorbutum’) ontstaat door vitamine-C-gebrek. De medicijnmannen kenden de symptomen (zwakte, bloedarmoede, tandvlees- en onderhuidse bloedingen) en de behandeling: het drinken van een aftreksel van sparrennaalden, die rijk zijn aan vitamine C.



Twee eeuwen geleden ontdekten de Schotten al dat ze hun kinderen tegen de ‘Engelse ziekte’ (ook wel ‘rachitis’ genoemd, een afwijking van de skeletgroei) konden beschermen door ze levertraan van kabeljauw te geven. Dit is een van de weinige voedingsmiddelen die rijk zijn aan vitamine D.

In het achttiende-eeuwse Italië was de ziekte ‘pellagra’ (een ernstige ziekte met huidaandoeningen en stoornissen van de spijsvertering en het centrale zenuwstelsel) zo algemeen verbreid dat de overheid speciale pellagraziekenhuizen liet bouwen. Tot stomme verbazing van de artsen herstelden de slachtoffers op mysterieuze wijze binnen enkele weken. We weten nu dat dit te maken had met het ziekenhuisvoedsel. De patiënten kregen voldoende verse melk, eieren en vlees met daarin de benodigde vitamine B3, die ze thuis moesten ontberen.

Bij de naamgeving van de vitaminen is men indertijd uitgegaan van een alfabetische volgorde, waarbij elke vitamine met één letter werd aangeduid. Zo ontdekte men in 1913 als eerste vitamine A, snel daarna gevolgd door een lange reeks andere vitaminen. De vitamine-B-groep bestaat uit diverse stoffen, namelijk vitamine B1 tot en met B12. Alle B-vitaminen hebben gemeenschappelijke eigenschappen bij hun biochemische werking in het lichaam. Overigens speelde bij de ontdekking van vitamine B1 een Nederlander een prominente rol. Aan het eind van de negentiende eeuw kwam in het toenmalige Nederlands-Indië de ziekte ‘beriberi’ (een ernstige aandoening van het zenuwstelsel) dikwijls voor. De Nederlandse arts Eijkman ontdekte dat deze ziekte het gevolg was van de consumptie van gepelde rijst als hoofdvoedsel. Hij toonde aan dat de ‘beschermende stof’ juist in het zilvervlies van de rijst zit, dat tijdens de rijstbewerking als afval wordt weggegooid. In 1929 werd hij voor deze belangrijke ontdekking beloond met de Nobelprijs.

VITAMINE A
Vitamine A is niet alleen nodig om in het schemerdonker goed te kunnen zien, maar is ook van belang bij de groei, de voortplanting en voor het afweersysteem. Bij een tekort kan onder meer nachtblindheid ontstaan. Volwassenen hebben dagelijks ongeveer 3000 IE (IE staat voor Internationale Eenheid) nodig; dit komt overeen met ongeveer 900 microgram (= 0,9 milligram). Vitamine A komt voor in lever, roomboter, volle melk, kaas en eidooier en als carotenoïden (die in het lichaam worden omgezet in vitamine A) in wortelen en tomaten. Bij een normale voeding, die ongeveer 6000 IE vitamine A bevat, wordt ruimschoots aan de behoefte van jong en oud voldaan. Hoewel vrouwen tijdens een zwangerschap wat meer vitamine A nodig hebben, is aanvulling meestal niet echt nodig. Te veel vitamine A (vanaf ongeveer tienmaal de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid) is zelfs erg schadelijk, vooral voor het ongeboren kind en zuigelingen. De kans op het krijgen van een kind met aangeboren afwijkingen zou al bestaan als zwangere vrouwen dagelijks 25.000 IE slikken, misschien zelfs al bij lagere doseringen (zie ook teratogene medicijnen in het onderdeel 'Medicijnen tijdens Zwangerschap en Borstvoeding' in de sectie 'Seks & Voortplanting'). Vitamine A is ook bekend onder de naam retinol.

De mogelijk beschermende werking van extra vitamine A tegen hart- en vaatziekten en kanker is tot nu toe op geen enkele manier hard gemaakt. Misschien leidt extra vitamine A zelfs tot meer schade dan tot gezondheidswinst. In een onderzoek onder ongeveer 18.000 ex-rokers en onder personen die op hun werk aan asbest waren blootgesteld, werd namelijk zelfs een toename vastgesteld van de totale sterfte en van de sterfte aan hart- en vaatziekten door de dagelijkse inname van bètacaroteen (een voorloper van vitamine A) en vitamine A.

VITAMINE-B-GROEP
Hoewel er ooit vijftien verschillende stoffen als B-vitamine werden geclassificeerd, zijn er nog maar acht echte B-vitaminen overgebleven. Dat wil zeggen dat bij een tekort van een van deze stoffen een echte gebreksziekte kan ontstaan. Het zijn de vitaminen B1 (thiamine), B2 (riboflavine), B3 (nicotinamide), B5 (pantotheenzuur), B6 (pyridoxine), B8 (biotine), B11 (foliumzuur) en B12 (hydroxocobalamine). De laatste twee spelen vooral een rol bij bepaalde vormen van bloedarmoede (in de sectie 'Bloed & Bloedsomloop'). De andere B-vitaminen worden vaak gecombineerd in één preparaat als vitamine-B-complex gegeven, omdat een tekort aan één B-vitamine nogal eens samengaat met een tekort aan een of meer andere B-vitaminen.

Veel aandoeningen worden ten onrechte toegeschreven aan een vitamine-B-tekort. Echte tekorten komen nog maar zelden voor. Alle B-vitaminen zijn tegenwoordig ruimschoots aanwezig in de voeding, in het bijzonder in volkorenbrood, aardappels, peulvruchten, vlees, eieren enzovoort. Vergiftigingen door B-vitaminen zijn nauwelijks mogelijk, behalve door vitamine B6. Hoge doseringen (vanaf 500 milligram en meer) kunnen het zenuwstelsel aantasten.

VITAMINE C
Zonder twijfel de vitamine die de afgelopen tientallen jaren het meest ter discussie heeft gestaan. Niet zozeer wegens de werking bij de gebreksziekte scheurbuik, want daaraan wordt niet getwijfeld, maar wegens het vermeende effect van vitamine C in ‘mega’-doseringen op verkoudheid, griep en kanker. Tot nu toe konden deze claims in geen enkel serieus onderzoek worden bevestigd.

Vitamine C komt vooral voor in (citrus)fruit, bladgroenten en aardappelen. De dagelijkse behoefte is ongeveer 70 milligram, een hoeveelheid die al in een halve sinaasappel zit. Het ziektebeeld scheurbuik (scorbutum) komt in onze streken dan ook vrijwel niet meer voor. Voor zwangere vrouwen is de dagelijkse behoefte circa 90 milligram. Voor vrouwen die hun kind de borst geven is de dagelijkse behoefte nog iets hoger (110 mg). Te veel vitamine C is niet echt schadelijk, zelfs niet in ‘mega’-doseringen. Alle vitamine C die men te veel binnenkrijgt, wordt via de nieren en de blaas weer uitgeplast. Sommige mensen worden misselijk of gaan zelfs braken als ze enkele grammen per dag slikken. Bij mensen die daar gevoelig voor zijn, is de kans op het krijgen van nierstenen (calciumoxalaatstenen) wat groter indien zij dagelijks meer dan 1000 mg slikken. Vitamine C is ook bekend onder de naam ascorbinezuur (C-Will®, Dayvital®).

Comments